Nilsje











Ja, misschien? Wie weet? Ik geloof er wel in, denk ik , maar dan uit de boekskes en de filmkes (en dan die vooral van VijfTV), zoiets wat onwaarschijnlijk is om zelf te bezitten. Misschien is het menig prinses verplicht om te wachten en te dromen van die ene, de prins. Tot hij eindelijk op zijn mooie ros de laan komt ingegaloppeerd, haar galant over het zadel zwaait en dan samen, de einder tegemoet gaat, ze trouwen en ze leven nog lang en gelukkig…

Laat de realiteit mij leren dat dit klinkklare onzin is! Wat spiegelen ze ons toch voor? Ik geloof wel dat er op een bepaald moment iemand je pad kruist waarbij je je goed voelt, maar is er echt maar één op de ganse wereld? Bestaat hij wel? Naar het schijnt, maar je moet geduld hebben, zegen ze (en laat ik nou net niet over dit belangrijk ingrediënt beschikken!). En hoe weet een prinses dat dit echt haar prins is? Is er een teken, een gevoel, een wat? En is het wederzijds?

Ach, misschien vind je die persoon wel nooit, maar toch is dat de echte liefde. Trouwens is ware liefde echt een spel van alles of niets, of kan het ook een beetje? Misschien is het iets wat groeit, niet na enkele dagen, maar na jaren en jaren. Liefde is, natuurlijk, een werkwoord, iets waar je moet aan werken, maar meer als een soort hobby. Dat je het eigenlijk niet erg vindt dat je er moet aan werken, en je het ook maar al te graag doet.

 ’Maar misschien is uwen droom uwen droom toch niet, ge had het maar gedroomd …’  Ach … liefde …van mij mogen ze het hebben! (tenzij iemand mij het tegendeel kan bewijzen. Iemand?)



Joske zegt:

“en ge staat daar op den top van de Mount Everest… en het uitzicht is wel schoon, op zijn minst toch ongewoon…”
Soms denk ik dat het zoeken naar liefde niet het doel is. ‘t Is die wandeling naar de top die het hem doet. Stap voor stap, zwaar beladen met een rugzak overladen met mooie herinneringen maar ook zinloze ballast en hoopvolle verlangens. Voetje voor voetje, de grote stenen ontwijkend en omhoog kijkend naar waar de mist nog druilerig rond de top hangt. Soms wat wiebelig en ijl terugblikkend naar vanwaar ge komt. Eventjes blijven staan en naast u kijken waar dan plots iemand blijkt te staan die u een hand geeft om verder te gaan. Of die een babbelke met u slaat en uw rugzakske weer wat zwaarder maakt met -gelukkig zweverige- hoop. En dan komt ge eindelijk op den top en wordt ge ‘t gewaar: GE STAAT DAAR NIET ALLEEN! En wat ge heel die weg gehoopt had te vinden IS ER NIET! Allee, ‘t is er wel maar ‘t liep eigenlijk al helen tijd naast u en die top had ge eigenlijk niet moeten beklimmen. Tenzij om het u te doen inzien…



Reageer

enzovoort